Multifunctionele uitdrukking van regionale traditie! 

 Een van de belangrijkste grondleggers van de Stuttgarter Schule, Heimatschutz en de Deutsche Werkbund is Theodor Fischer (1862-1938). Een kernwerk in zijn oeuvre is de Pfullinger Halle in het Zuid Duitse Pfullingen. Dit geesteskind van de onderwijshervormer staat symbool voor een keerpunt in de Duitse architectuurgeschiedenis die op dat moment bevrijding van het verstikkende eclecticisme zoekt.

lokale traditie

Bedenkingen had Theodor Fischer bij de betekenisloze materiaaltoepassing, dit zou volgens hem leiden tot afstomping van het vormgevoel en oorzaak zijn van een holistisch innerlijk leven.Materiaaleigenschappen  doorgronden stond in zijn ogen voorop. “ ich weiß, dass ich als Lehrer nicht Kunst lehren kann, sondern nur das Handwerk”Voorgaande kwam voort uit de opkomst van industriële productieprocessen en de overweldigende interesse voor Romaanse en Grieks kunst sinds de ontdekking van Pompeï. Dit had een zeer academische scholing van architecten veroorzaakt die geen oog had op het uiteindelijk vervaardigen van een concreet werk, de fundamentele taak van architecten en stedenbouwkundigen. Deze stellingname berustte in het geheel op het oorzakelijke verband tussen het falen van de architect en zijn educatie. Het bestuderen en interpreteren van lokale cultuurhistorie met name gericht op plaatselijke bouwtradities vormt het uitgangspunt van zijn architectuurbeschouwing.Wandlungen des Stils, nach dem im Kunstwissenschaftlichen Schrifttum eingewurzelten Begriff, sind zumeist mit Änderungen der Einzelvormen in Zusammenhang gebracht worden. Ein Wandel der Gestalt im ganzen ist vom größeren Wellenlänge” Deze basis gebruikte hij om tot een transcriptiemethodiek van oude streekgebonden archetypische verblijfsvormen te komen.

Kenmerkende constructiewijzen, ruimtelijke eigenschappen, complementaire decoratieve schilderkunst en materiaalgebruik paste hij op nieuwe ontwerpopgaven toe. Op deze wijze wilde Fischer verbroken banden met het culturele verleden weer aanhalen. Fischer definieerde hiermee de architectonische opgave niet als instrument om tot geschiedkundige kunst te komen. Zijn streven was om de in zijn ogen tot deels tot stilstand gekomen Noord-Europese civilisatieontwikkeling te voorzien van een methode om uit haar identiteitscrisis te komen. Fischer beperkte zich niet alleen tot architectuur met deze benaderingswijze. Stedenbouw had volgens hem ook te lijden gehad onder het moderne schema en de Pompeïsche invloed. De Altstadt voldeed beter aan stedelijke ontwikkeling omdat zij altijd was uitgegaan van organische groei. Zij was een weerspiegeling van het landschap, ontstaan uit praktische noodzaak en voorzag in gezonde fysieke behoefte van alle maatschappelijke lagen. Het moderne schema was volgens niet voldoende flexibel toegepast waardoor een ongezonde stad was ontstaan. “Schön, praktisch und gesund, sind die drei Wünschen, die wir für die Entwicklung unserer Stadt im Herzen tragen. Keines von den dreien kann für sich bestehen. Was praktisch ist (nicht im Geiste der Bauspekulanten). Muss schön und gesund sein; was im richtigen Verstand gesund ist, muss praktisch sein und nicht unschön wirken”

Theodor Fischer

 

eerherstel opdrachtgever

De cultuurhistorische analyse en de toepassing van haar uitkomst bij het ontwerp waren niet het enige waardoor Fischer zijn uitzonderlijke positie in het architectuurdiscour verwierf. Voor hem was een ontwerp een direct gevolg van de functie en externe invloeden. Hiermee stelde hij niet de kunstenaar centraal bij het ontwerpproces maar de opgave zelf. Het eindresultaat berustte op pretentie, kunstsmaak, comforteisen van de unieke bouwheer,het karakter van de straat, proporties en gegevenheden van het landschap en de eerder vermelde lokale bouwtradities. De drie laatste proporties sloten aan bij de herintroductie van de burgerij ingegeven door het cultuurpessimisme, onder woorden gebracht door Nietsche en het Humanisme.

Tegenover de vluchtige veranderingen van alle levenssfeer werd het volkse als tijdloos boven de geschiedenis ondervonden. Het volkskarakter wordt dan ook breed opgevat alshet bindmiddel voor het nieuwe Germaanse kader. Fischer vond deze in lokale overlevering welke een eenheid vormt met lokale omstandigheden. Dit stelde hem in staat om bouwtechniek en streekgebonden materialen te implementeren binnen de werking van het programma van eisen. Zijn ontwerpen zijn door deze handelswijze direct gevolg van een proportionele verwevenheid en als gevolg hiervan ieder uniek. Fischer introduceerde hiermee een zekere mate van rationele opvatting van de architectentaak, in zijn uitwerking zelfs ongebruikelijke binnen het traditionalisme.

Theodor Fischer artist impression

 

Die pfullinger hallen

In 1903 kreeg Fischer de opdracht van papierfabrikant Laiblin om in zijn woonplaats Pfullingen, even ten zuiden van Stuttgart, de Pfullinger Vereinen Liederkranz (opgericht in 1837) en de turnvereniging (opgericht in 1862) onder te brengen. Laiblin had twee motieven om het gezelschapshuis te realiseren. Ten eerste wilde hij het lokale verenigingsleven ondersteunen en het tweede motief was het promoten van de Germaanse cultuur onder de minder vermogende streekgenoten. Vooral dat laatste bracht opdrachtgever en architect ertoe om te streven naar een gesammtkunstwerk bestaande uit lokale architectuur, schilder- en beeldhouwkunst. Wat uiteindelijk resulteerde in een waar volkshuis. In 1904 was het ontwerp klaar voor de uitvoering.De Pfullinger Halle, gelegen aan de voet van de Schemberg (nu Schönberg) wordt van buiten gekenmerkt door een complex spel van dakvormen in combinatie met

dakdoorbrekingen zoals dakkapellen, schoorstenen en doorlopend gevelwerk. De gevels bestaan uit zandsteen en beton. De entrees worden net zoals enkele grote ramen gekarakteriseerd door het gebruik van rondbogen. Deze methodiek maken bij benadering van het gebouw direct duidelijk dat het voor meerdere doeleinden gebruikt werd. De hoofdentree aan de turnzaalzijde wordt geaccentueerd door een brugachtige constructie. Achter de entree bevindt zich de centrale hal, hiervandaan zijn alle ruimten te bereiken. De grootste volumes zijn theaterzaal en turnhal die aan elkaar grenzen. Het opvallendste aan het interieur van de turnzaal, voorzien van een wolfsdak, is haar tongewelf zonder gordelbogen. Dit was mogelijk geworden door toepassing van een gewapend betonnen constructie. Dit was op dat moment een kleine sensatie in de bouwkunst

theodor fischer pfullinger halle 1

pfullinger halle 2

 

complexe vormen, multifunctioneel programma

Door deze nieuwe toepassing was Fischer in staat om veel daglicht tot de hal binnen te laten dringen. Dit manifesteert zich aan de buitenzijde door een zeer lange dakkapel op de langszijde van het wolfdak. De theaterzaal, voorzien van een hoog schilddak, heeft een zware houten dakconstructie. In deze zaal is de wens om tot een totaalkunstwerk te komen volledig tot uiting te komen. Onder de grote vierkante kozijnen en op de ruimtescheidende dragende wanden zijn fresco’s aangebracht door studenten van de Stuttgartse kunstacademie onder leiding van Hölzel. De studenten waren Hans Brühlmann, Bruno Goldtschmitt, Melchior von Hugo, Louis Moilliet, Ulrich Nitschke en Eduard Pfennig. De theaterzaal staat in verbinding met de turnzaal door een grote schuifpui. Aan de straatkant is een feestzaal ondergebracht. De entree bevindt zich tussen twee beuken die haaks staan op de hal en ligt 3,5 meter beneden het begane grondniveau.

De vorm van de Pfullinger Halle is een vertaling van oude zuid Duitse boerenhuizen naar een utilitair gebouw. Het is door deze vorm in combinatie met zijn monumentaliteit duidelijk een ode aan de dorpsgemeenschap geworden. Behalve het lokale zandsteen is Fischer in staat geweest om architectonische mogelijkheden van gewapend beton volledig te benutten. Deze acceptatie van de moderne bouwmethodiek binnen zijn cultuuropvatting bevestigt zijn verhouding met techniek. Toepassing van nieuwe materialen binnen de overlevering wordt door hem dan ook geaccepteerd. Dit laatste zou later aan de basis staan van enkele opvattingen binnen de later ontstane Stuttgarter Schule. Fischer bevestigt zijn talent om nieuwe materialen te interpreteren benutten binnen zijn eigen vormentaal. Wederom gebeurt dat in Pfullingen. Dit keer niet aan de voet van de Schönberg maar op de top. In 1906 wordt de Schönberger Turm, in de volksmond Die Pfullinger Unterhose, een uitkijktoren met een uitzichtpunt op 793 meter hoogte opgeleverd. Ze bestaat enkel uit twee trappen die de benen van de toren vormen, één trap naar boven en één naar beneden en als bekroning een overdekt uitkijkplatform. Het bouwwerk bestaat in zijn geheel uit gewapend beton.

Theodor Fischer Pfulinger Halle

theodor fischer daglicht in sporthal

 

download de reistip!!!