paul schmitthenner Stuttgarter Schule

schijncultuur en machinatie

Het conflict tussen berekenend verstand en gevoel, machine en menselijke leven, collectiviteit en persoonlijkheid waren bij het retrospectief op de periode van algemene Duitse industrialisatie tussen 1870 en de eeuwwisseling voedingsbodem voor een oproep tot bezinning.[1] Paul Schmitthenner nam aan het begin van de twintigste eeuw net zoals andere kunstenaars de crisis in het alledaagse leven geschokt waar. Techniek was in zijn ogen onterecht een doel op zich geworden. De nieuwe zakelijkheid wist met haar functionaliteitsbetoog de problematiek rond grootstedelijke huurwoningen niet op te lossen, in zijn ogen waren de modernisten helemaal niet functioneel. Ze wisten bijvoorbeeld de meeste bouwfysische problemen niet op te lossen. Maar zijn kunstkritiek bleef niet beperkt tot de modernen. Hij stelde dat de eigentijdse traditie bestond uit de verering van het voorbije, geuit in  het hulpeloos teruggrijpen op grote Duitse cultuurepochen en dit veroorzaakte een schijncultuur.

[1] Paul Schmitthenner: Das Deutsche Wohnhaus p. 8

Schmitthenner nam aan het eind van de negentiende begin twintigste eeuw een kentering waar. Men had weer interesse in het dagelijkse leven, deze ontwikkeling werd gevolgd met de nieuwe interesse in het alledaagse verblijf. De woonvorm was volgens hem de uitdrukking van het gezinsleven en haar gemeenschap, hierin kwam het cultuurhistorische verleden tot uitdrukking en in de gewoonheid met de dingen zou de vooruitgang haar weg moeten vinden. Technisch vermogen zou volgens Paul Schmitthenner vanaf dat moment anders benaderd moeten worden. Bouwkunst kon alleen bestaan als de menselijke noodzaak zinvol geordend werd en in schoonheid vormgegeven was. Hiermee koppelde hij de stand van de techniek als uitdrukking van menselijk vermogen aan de kunst als humanistische graadmeter. Schmitthenner nam dus expliciet niet het omgekeerde cultuurideaal gericht op de pre-industriële periode als uitgangspunt voor traditionele architectuur. De kernvorm vormde de traditionele woning als uitdrukking van de civilisatiestand, geheel volgens Gottfried Semper’s oorsprongstheorie.

Paul Scmitthenner variationen uber ein thema

stoffelijke en onstoffelijke 

Schmitthenner had een zeer bijzondere kijk op het architectenvak. De bouwkunstenaar vergeleek hij met de  musicus. Schmitthenner zag een overeenkomst  en deze was de toepassing van variaties op een thema. Hierbij konden onderdelen op verschillende manieren geïnterpreteerd worden om het  krachtig of elegant, dramatisch of vrolijk, licht of donker etc. te laten zijn. De uitvoering van de compositie werd gevarieerd door de dirigent en  orkest of ieder andere uitoefenaar van muziek. Hierbij behield men een zekere oorspronkelijkheid en was toch in staat zelf kleur geven aan een compositie door z’n eigen interpretaties te maken. Het thema bij Paul Schmitthenner was de woonvorm omdat deze voor het eenvoudige stond en was niet zoals de werkomgeving aan veranderingen onderhevig. Met deze stelling liet hij tussen de regels doorschemeren dat hij nog steeds de oude woonvorm zag als het cultuurideaal en dat de moderne (werk)omgeving slechts een bescheiden onderdeel zou mogen uitmaken van zijn cultuuropvatting.

Hij was met deze redenatie in staat geweest om tot een voor die periode progressieve interpretatie van de architectuuropgave te komen. Hij construeerde een standaard huis dat volgens hem voldeed aan onstoffelijke eisen van maatverhoudingen, licht en ruimte. De plattegrond, doorsneden, gevelaanzichten waren een vast gegeven, de traditie voortgekomen uit de menselijke noodzakelijkheid van het alledaagse verblijf. Het was het stoffelijke waarmee hij ging variëren. De gevelindeling, dakvorm, complementaire schilderkunst en materialen vormden de variabelen welke afhankelijk waren van het ontwerpdoel. Deze strikte scheiding tussen constructie en vormgeving was een directe vertaling van zijn houding ten opzichte van de techniek. De idee werd gematerialiseerd in een samenspel van techniek en kunst om zo tot bouwkunst te komen.

klassieke natuursteen trap

die Stuttgarter Schule: het schmitthennerdetail

Op 24 augustus 1918 wordt in de Deutsche Bauzeitung bekend gemaakt dat Paul Schmitthenner bouwconstructieprofessor Friedrich Gebhardt vervangt.[1] Hij zal nu samen met Paul Bonatz (architectuur) en Heinz Wetzel (stedenbouw) leiding geven bij noodzakelijke onderwijshervorming in het Stuttgarter onderwijs. Buiten de nieuwe werkwijze, praktijkgericht onderwijs,  van de Technische Hochschule Stuttgart ging Schmitthenner ook over op de later voor de Stuttgarter Schule zo kenmerkende architectuurbenadering. Zijn voornaamste klacht was altijd geweest dat grote tekortkomingen aan samenhangende kennis voor latere beroepuitoefening bij afstudeerders alledaagse praktijk was. [2]  Zijn streven was om ‘jungenmeister’ het verband tussen constructie, vorm en materiaal te laten doorgronden. Hij liet om deze reden studenten een woonhuis tweevoudig uitwerken, één metselwerk en één vakwerkvariant. In zijn optiek werd zo voorkomen dat het constructievak geen verbinding hield met de praktijk. Het monomane catalogus constructievak van voorheen werkte dit in de hand. Ze lieten tot dan studenten de meest ingewikkelde constructies doorrekenen. Schmitthenner bleek hiermee duidelijk de leer van zijn vroegere meesters te eren en dan met name Riemerschmidt en Carl Schäfer. Deze predikten geheel in lijn met Hans Poelzig, Herman Muthesius en Fritz Schimacher de motivatie van de vorm uit constructie. Over Schäfer zal Schmithenner later verklaren: “Bei anderen Architectenlehrern lernten wir Formen zeichnen, bei Schäfer aber sie begreifen.

[1] Deutsche Bauzeitung 1918. p. 300

[2] P. Schmitthenner 1884-1972 . p.28

Er zeigte Meisterschaft, wie Formen gebunden Material und darum ist es belanglos, dass dies in ersten Linie an den Formen des Mittelalters zeigte.” [1] Al toen hij bij Riemerschmidt werkzaam was werd hij geconfronteerd met het feit dat metselaars en timmerlieden hem ruimschoots overtroffen met hun praktische kennis en verkaste naar de oude meester Fischer. Hier legde hij de basis voor zijn kenmerkende ‘Schmitthennerdetail’ “Nichts war Dir zu gering, Dein Können und Deine Liebe daran zu wenden. Diese nahm ich mit als Gewicht aus meine Lehre. Nichts was Du Formtest und wie Du Formtest, sondern die Gesinnung, aus der die Dinge wurden.“[2] In zijn onderwijs ontwikkelde hij een eigen terminologie vol met aforismen. Materie, naad, vorm , maat, ordening, noodzaak en overvloed gebruikte hij voor zijn constructieproza. Bouwen was volgens hem “Stoffliche Fügung zu Körper und Raum…in anfang steht der Stoff. Aus dem das Bauwerk gefügt werden soll, dem der Stoff bedingt die Fügung und diese die Form.” [3] Schmitthenner eiste van zijn aankomende architecten dat zij materialen doorgrondden en haar juist vervoegden tot een bouwwerk. Op deze manier was de jonge architect aan de wetmatigheden van het stoffelijke gebonden en alleen op deze wijze was een substantiële architectonische kwaliteit haalbaar.

[1] P. Schmitthenner 1884-1972 . p.31

[2] P. Schmitthenner 1884-1972;  p. 32

[3] P. Schumitthenner 1884-1972;  p. 34

klassieke witte villa schmitthenner