De strijd om de leek: De veerkracht van een cultuurhistorische wensdroom. 

Bond Heemschut bestaat meer dan 100 jaar en het is tijd voor zelfreflectie. Onderdeel hiervan is het onvermijdelijke vergelijk met de Deutsche Bund Heimatschutz, de net iets oudere grotere broer. Een nadere beschouwing van deze vergelijkbare bond is dan ook hoognodig om te komen tot een essentiële kritische houding ten opzichte van het jubilerende gezelschap om met een gezonde dosis zelfkritiek voort te kunnen gaan op de ingeslagen weg. Joep Broeren, architect en onderzoeker, nam namens Stichting Moderne Traditie het wel en wee van de Deutsche Bund Heimatschutz  onder de loep. Als snel blijkt dat de gelijknamige Duitse bond een breder perspectief heeft dan de Nederlandse ‘tak’ en hierdoor een geheel eigen problematiek kent.

 Het fenomeen Heimatschutz presenteert zich zo grofweg sinds het einde van de 19e eeuw als redmiddel van authentieke hoogwaardige streekgebonden cultuur. Hierbij vormt de toegankelijkheid voor de leek de, met andere woorden ´de man van de straat´, de basis. Effectieve communicatie met deze onbevangen aanschouwer en consument is voor Heimatschutz dus succesbepalend. Om dit verlangen vorm te geven worden vele boeken geschreven, lezingen gehouden en manifestaties georganiseerd. De gemeenschappelijke deler in deze activiteiten is het uitdragen van Germaanse culturele prestaties uit het verleden en heden. Goethe en Dürer worden veelvuldig aangehaald maar ook eenvoudige elementen uit het dagelijkse leven zoals ambachtelijke vlechtkunst, wijnproductie, klederdracht enzovoort. Buiten de ideologische drijfveer is er onmiskenbaar ook een economisch motief voor de verheerlijking van regionale cultuurprestaties. De destijds sterk opkomende overvloed aan eigentijdse communicatiemiddelen zoals fotografie, radio en massadrukwerk wekte de interesse op voor het exotische. Het vertrouwde inheemse product appelleerde hierdoor ogenschijnlijk veel minder aan de verbeelding. Dit, nu actueler dan ooit, mechanisme zou volgens de Heimatschutz ten koste gaan van regionale producten. De pogingen om dit werk aan de man te brengen zijn volgens velen door de sterke aantrekkingskracht van het culturele experiment, de externe exotische impuls, dan ook gedoemd tot mislukking. In het kort gezegd komt de Deutsche Bund Heimatschutz sinds haar oprichting in 1904 op voor het belang voor het regionale cultuurproduct. Hieronder valt onder andere architectuur, dichtwerk, geschriften, muziek, schilderkunst etc.

 Echter, is de doorsnee man of vrouw op straat werkelijk geïnteresseerd in het culturele experiment of het omgekeerde cultuurideaal van de Heimatschutz? Beide lijken weggelegd voor diegene met een bovengemiddelde interesse in cultuur en zeker niet voor de leek. Hoe is het met het oog op deze vraag mogelijk om succesvol te herintegreren in het alledaagse leven?

Voorwaarden voor succes.

De zakelijke realisten

De oorspronkelijke principiële voorwaarden voor economisch succes zijn volgens de zakelijk georiënteerde Heimatschutz-leden: efficiënte productie, begrijpelijk vormgebruik en logische functie-uitdrukking. Eenvoudigweg willen zij de positie van de architect in het productieproces versterken. Dit past geheel in de grootschalige onderwijshervormingen in deze periode, grofweg tussen 1907 en 1920, waarbij de wisselwerking tussen praktijk en onderzoek centraal komt te staan. Opvallend genoeg wijst Gottfried Semper al in 1851 in zijn publicatie ‘ Wissenschaft, Industrie und Kunst’, geschreven naar aanleiding van de wereldtentoonstelling in dat zelfde jaar op de ontstane kennisachterstand van nieuwe industriële productieprocessen. Kunstenaars zijn in zijn ogen niet meer in staat om ‘vormwil’ van eigentijdse materialen te erkennen, verkennen en te gebruiken. In Engeland is deze publicatie mede de basis voor het succes van de Arts&Crafts beweging onder leiding van John Ruskin. Zij het dat Ruskin beduidend terughoudender is en zijn heil zoekt in de werkwijze van het oude gildesysteem. Pas na 1904, nadat Herman Muthesius ‘ Das Englische Haus’ in opdracht van het Duitse ministerie van financiën publiceert, komt Duitsland tot een eigen interpretatie van Semper´s aanbevelingen. De zakelijken binnen de Heimatschutz nemen afstand van het aartsconservatieve karakter van de Arts & Crafts beweging. De onderwijsmethode van het gilde is ook voor hen een inspiratiebron maar ze wijzen in geen enkel opzicht het moderne productieproces af, dit in tegenstelling tot Ruskin. Dit verschil is mede te verklaren door de enorme stedelijke bevolkingsgroei en de productieverhogingeisen na het hoogtepunt van de Arts&Crafts beweging. Een versterkte positie in het productieproces zal het volgens de zakelijken voor kunstenaars weer mogelijk maken regionale producten aan de man te brengen.

De romantische idealisten.

De idealistische Heimatschutz bondgenoten richten zich sinds de oprichting meer op de zogenaamde romantische expressie van de volksaard en de verbijzondering van het alledaagse (arbeiders) leven. Ook hier is een duidelijke parallel met het ‘eiland’. De bijna godsdienstige verering van dagelijkse rituelen als mythisch ogende ontsnappingsmechanisme voor het eigentijdse deprimerende arbeidersbestaan door de Pre-Raphaelieten wordt vertaald naar een Germaans mode

Zo vormen de vanzelfsprekende interactie met de natuur, de middeleeuwse gemeenschap en het kerkelijke geestesleven nieuwe ideaalbeelden. De voedingsbodem voor deze vertaling is het ontwrichte gezinsleven in de hevig geïndustrialiseerde streden. De idealisten zien de herintroductie van de Germaanse culturele traditie als antwoord op de desintegratie van het alledaagse leven. De functioneel symbolische kracht van traditionele rituelen wordt dan ook ingezet als het belangrijkste verbindingsmiddel voor de verlangde maatschappelijke hervormingen. Ook hieruit spreekt op zijn minst waardering van Semper’s tekst uit 1851. Het duidelijkste voorbeeld dat Semper over de kracht van het functioneel symbolische product geeft, is het vergelijk tussen de Griekse Hydra en de Egyptische Situla. De Situla is ontstaan uit de noodzaak om water te halen uit de Nijl en de regendruppelvorm is volgens hen waarschijnlijk afgeleid van de eerste primitieve vorm. De eigenschappen zouden historisch bepaald zijn door de vulwijze met water en haar transportmethodiek. De hydra wordt echter gedragen op het hoofd en gevuld met water uit een fontein of bron. Semper interpreteert beide als een nationaal en religieus embleem. Zo komt de Hydra voort uit Griekse bronverering. De idealisten zoeken het succes van regionale producten dus in de herintroductie van gebruiken die voortvloeien uit lokale omstandigheden. Hierbij wijzen ze op de continuïteit van deze rituelen en de hiermee samenhangende intrinsieke waarde van regionale producten.

3 Semper hydra situla

afbeelding: Griekse ‘Hydra’ en de Egyptische ‘Situla’. G. Semper 1851.

Deze voorwaarden voor het heimatschutz-succes zoekt men dus enerzijds in de combinatie van techniek en wetenschap en anderzijds in de volkskunde. Dit is niet verwonderlijk omdat de bond grofweg opgericht is door ambachtslieden, wetenschappers, kunstenaars en cultuurhistorici. Wat hen in eerste instantie bij de oprichting samenbrengt is de behoefte om de regionale expressie te verkopen. Toch leidt fundamentele methodische verschillen tussen de realisten en idealisten onder de architecten in het gezelschap tot een onvermijdelijk conflict.

Het fundamentele conflict.

Het elementaire probleem van Heimatschutz is semantisch van aard. De term “Heimat” is een relatief neutraal begrip dat naar een oorsprong en dus oriëntatiepunt verwijst. “Schutz” echter duidt op een strijd, zowel offensief als defensief. De letterlijke vertaling is “bescherming”. Twee wezenlijke vragen komen uit deze uitleg voort:

 1. Welke oorsprong vormt het oriëntatiepunt, de referentie voor verdere ontwikkelingen?

2. Waartegen en hoe dient deze vermeende oorspronkelijkheid beschermd te worden?

 Voor de geestverwanten van de Heimatschutz is, rond 1900, één ding duidelijk: tijdens de industriële revolutie is er iets vreselijk misgegaan met het Duitse culturele erfgoed. Het dagelijkse leven was onder invloed van grootschalige verstedelijking drastisch veranderd. Zowel fysiek als mentaal had het volk te lijden onder de teloorgang van de sociaaleconomische en maatschappelijke structuur van de middeleeuwse Germaanse “Alltstad”. De Heimatschutz zag de industriële revolutie als een voorlopig eindpunt van culturele ontplooiing en de Alltstadt als oriëntatiepunt voor iedere verdere ontwikkeling. Een voorbeeld van pre-industrieel inspirerende erfgoed is de wijk ´Fuggerei´in Augsburg, dit voorbeeld halen de Heimatschutz architecten veelvuldig aan als toonbeeld van kwalitatief hoogwaardige architectuur.

Augsburg 1520 Fuggerei oorsprong traditionele architectuur

afbeelding: de wijk Fuggerei in Augsburg, gebouwd in 1520.

Commerciële werkelijkheden of poëtische wensdromen? 

Dit omgekeerde cultuurideaal krijgt op twee zeer verschillende manieren invulling. De zakelijke realisten veronderstellen dat de industriële revolutie heeft geleid tot een hiaat in de ontwikkeling van de Duitse cultuur. Architecten en stedenbouwkundigen zijn volgens deze groep door de snelheid van de economische en technische ontwikkelingen tijdelijk gedesoriënteerd. Techniek, kunst en wetenschap dienen wederom in evenwicht te komen en men laat zich daarbij inspireren door de bewezen kwaliteiten van de geleidelijk gegroeide middeleeuwse Duitse steden. Met de succesvolle implementatie van nieuwe technieken in authentieke ruimtelijke oplossingen zijn architecten in staat zijn om hoogwaardige woon- en leefomstandigheden te creëren, aldus de zakelijken. Het is geen toeval dat een aantal van deze leden op dat moment ook onderdeel vormen van de Deutsche Werkbund, opgericht in 1907. Dit is een groep wetenschappers, industriëlen en kunstenaars die zich ten doel heeft gesteld Duitse producten weer concurrerend te maken ten opzichte van het buitenland. Het slim toepassen van industriële productie leidt volgens de Werkbund leden tot onder andere kostenbesparing, bouwtijdreductie en kwaliteitsverbetering. Het voordeel van de zakelijken is overduidelijk dat zij in staat zijn concrete oplossingen bieden voor aangekaarte problemen.

De idealisten hebben echter veel meer moeite met de ontstane situatie. In hun ogen is niet alleen het verschraalde alledaagse leven in de industriële metropolen een gevaar maar ook de overweldigende exotische culturele impulsen. Men vreest een periode van exponentieel groeiend ondoelmatig eclecticisme. Een groot onderdeel van deze problematiek wordt versterkt door de academische vorming van kunstenaars. Tijdens opleidingen worden ze overspoeld met indrukwekkende voorbeelden van mediterrane cultuurprestaties en is er geen aandacht voor de regionale cultuur, aldus de idealisten. Als gevolg hiervan zijn in toenemende mate wanprestaties geleverd door oneigenlijk gebruik van citaten. Ornamenten uit de oudheid interpreteert men tot op dat moment onjuist door gebrek aan cultuurhistorisch besef en  architectonische oplossingen zijn om dezelfde reden onlogisch toegepast.

Men is volgens de idealisten dan ook niet in staat om van goede exotische oplossingen klimatologische en culturele transcripties te maken die iets constructiefs aan de regionale ontwikkeling toevoegen. Het citeren vinden ze dus geen probleem, slechts het onjuist toepassen van deze citaten wijst men radicaal af. Termen als ontaarding, vervreemding en verschraling komen in de betogen van de idealisten veelvuldig voor. De discussie van de idealisten krijgt gedurende het debat uiteindelijke een sterk normatief karakter, een product is authentiek verklaard en goed of geïmporteerd en misvormd, dus slecht.

Het is een misvatting dat de scheiding tussen de realisten en idealisten heel strikt van aard is, ook de felheid van het betoog van een individu verschilt per persoon en per tijdsgewricht. Er is wel degelijk sprake van enorme kruisbestuiving tussen de twee opvattingen. Toch kan gesteld worden dat het idealistische standpunt vaak defensief van aard is, dit in tegenstelling tot de bijna pragmatische instelling van de realisten.

Het succes van boegbeelden.

Beide stromingen binnen de Heimatschutz Punt hebben tijdens de bloeiperiode 1918-1934 een boegbeeld. Paul Schmitthenner de realist en Paul Schultze -Naumburg de idealist. Schmitthenner is, officieel in het jaar 1918, de grondlegger van de zogenaamde Stuttgarter Schule. Een ontwerpmethode waarbij architectuurhistorisch onderzoek naar lokale bouwtradities en het moderne productieproces een symbiose tussen traditie en moderniteit vormen. Het resultaat is architectuur waarbij variatie met gestandaardiseerde traditionele georiënteerde bouwdelen en plattegronden leiden tot organische stedenbouw. In nieuwe stadsdelen herintroduceert men bijvoorbeeld centrale pleinen met gemeenschapsgebouwen ter vergroting voor de mogelijkheid van gebruikers om zich te kunnen oriënteren. Waar het landschap glooit, passen ontwerpers krommende wegen toe. Infrastructuur krijgt een hiërarchische verdeling, hoofdwegen ruim gedimensioneerd en naarmate de wijk verfijnt kiest men voor kleinschalige wegen en stegen. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de vertaling van de organisch gegroeide middeleeuwse stad naar de eigentijdse situatie door de Stuttgarter Schule. Het beste voorbeeld is Schmitthenner’s tuinstad Staaken, net buiten Berlijn gerealiseerd in de periode 1914-1918.

 Schultze-Naumburg is met zijn zesdelige uitgave “Kulturarbeiten” aan het begin van de 20e eeuw een van de grondleggers van de methode “Beispiel und Gegenbeispiel”. Een onderzoekshouding waarbij gezocht wordt naar de beste voorbeelden van de Germaanse bouwkunst ter vergelijking met minder geslaagde voorbeelden. In de zes delen omschrijft hij zeer gedetailleerd voorbeelden hoe tuinen, huizen, overheidsgebouwen, pleinen, straten en steden er volgens de Germaanse traditie uit zien. Schultze-Naumburg brengt met zijn Kulturarbeiten een enorme schok teweeg. Hij is de eerste die op een zeer toegankelijke wijze inzicht geeft in de grote ‘schade’ die in de voorliggende periode ontstaan is binnen de regio. Afbeeldingen van absurde bouwwerken spiegelt hij ten opzichte van authentieke werken met bondige en scherpe teksten. Op deze wijze biedt hij goede oplossingen aan de hand van concrete voorbeelden uit het verleden. Buiten de publicaties is Naumburg bouwend architect, zijn werken bestaan voornamelijk uit villa’s, overheidsgebouwen en andere op zichzelf staande objecten.

Paul Schmitthenner Gartenstadt Staaken Stuttgarter Schule

Gartenstadt Staaken, Berlijn. 1914. P. Schmithenner.

De idealisten vormen onmiskenbaar de meest behoudende invloedsfeer van de Heimatschutz. Het traktaat van Schultze-Naumburg richt zich op een vastgelegd punt: de Germaanse cultuur van voor de industrialisatie en niet zozeer op de integratie van nieuwe omstandigheden zoals eigentijdse bouwopgaven. Een gevolg hiervan is dat voor bijvoorbeeld compleet nieuwe behoeftes en meervoudige functies geen eigentijdse oplossingen geboden worden. Ook blijft de interpretatiewijze van regionale verschillen een blinde vlek in zijn betoog. Omdat Schmithenner’s Stuttgarter Schule universeler van aard is, beschikt deze benaderingswijze een veel grotere mate van flexibiliteit. De bouwproductie van Schmitthenner maar ook andere zakelijken zoals Muthesius lag hierdoor vele malen hoger, zij boden oplossingen voor het grote bouwprogramma tijdens het interbellum.

‘De gulden middenweg’

Een sleutelfiguur in de Heimatschutz-architectuur is Heinrich Tessenow. Volgens hem ontbreekt het in het architectuurdiscours aan een houding om in staat te zijn eenvoudiger en nuchterder naar de toepassing van eenduidige constructies en vormen te kijken. Dit deductieproces levert hem namelijk de introductie van zogenaamde culturele oervormen op.  Deze cultuurhistorische ontleding om tot architectonische kernvormen te komen is een genuanceerd verschil met zowel de Stuttgarter Schule als Schultze-Naumburg’s benadering. Tessenow stelt dat architectuur alleen in de meest pure sobere vorm recht doet het rijke cultuurhistorische verleden. Zijn ontwerpen leveren dan ook bijna abstracte bouwwerken op. Deze zogenaamde zuivere vorm hoort in zijn ogen bij de uitdrukking van het gebouw als cultuurprestatie. Dit fundamentalistisch conservatisme stelt hem in staat om met bestaande maatverhoudingen, regionale

Paul Schutlze Naumburg Kulturarbeiten Heimatschutz

fragment Kulturarbeiten, P. Schultze-Naumburg, 1904-1910.

materiaalverwerkingsmethoden, vanzelfsprekende ruimtelijke verbindingen en traditionele constructieve oplossingen te komen tot verbluffend originele tijdloze architectuur. Tessenow destilleert tijdens zijn oorsprongsstudies voor een woning in de wijk Hellerau te Dresden, bouwjaar 1912, het ontwerp voor het

 “Silezische Patenthaus”. Een zeer efficiënte vrijstaande woning geïnspireerd op traditionele Silezische bouwtypen. Dit proces herhaalt hij bij de realisering van het Festspielhaus in dezelfde wijk, een absoluut hoogtepunt in de Duitse architectuurgeschiedenis. De overeenkomst tussen Schmitthenner, Schultze-Naumburg en Tessenow is overduidelijk de zoektocht naar het zuivere regionale product. De drie hebben verschillende methodes om deze toegankelijk te maken voor de leek:

  1. Schmitthenner: variatiemogelijkheden binnen een regionaal thema door middel van het slim toepassen van massaproductie.

  2. Schultze-Naumburg: Een reeks gethematiseerde toegankelijke boeken met duidelijke aanwijzigen voor het bouwen in de Germaanse regio.

  3. Tessenow: Een wijze om te komen tot spaarzame, efficiënte bouwvormen.

 Ondanks de gemeenschappelijke noemer blijft het grote verschil tussen de realisten en de idealisten het gebrek van de laatstgenoemde om een culturele ontwikkeling te initiëren. De normatieve Kulturarbeiten leveren in eerste instantie niet meer op dan voorbeelden uit het verleden en geven geen enkele aanwijzing voor verdere vooruitgang bij nieuwe eigentijdse ontwerpopgaven. Tessenow verenigt beide benaderingen op een academisch wijze maar dit levert in de praktijk bijzondere maar niet bijster toegankelijke architectuur op. In feite legt Schultze-Naumburg in grote lijnen uit wat Tessenow bij een ontwerpopgave onderneemt en maakt Schmitthenner het gebruiksklaar voor het productieproces en begrijpelijk voor de eindgebruiker.

Conservering en reconstructie.

De Deutsche Bund Heimatschutz blijkt behoorlijk invloedrijk te zijn en vooral in de architectuur(scholing) krijgt de beweging voet aan de grond. De onderwijshervormingen richten zich, vooral in zuid Duitsland en Sachsen, vanaf 1907 als resultaat van de gedane inspanningen steeds meer op historisch onderzoek in combinatie met praktijkeducatie. Dit vertaalt zich in de jaren voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in een indrukwekkend aandeel van de productie van de zogenaamde Arbeiterssiedlungen, dit succes is natuurlijk mede te danken aan de Deutsche Werkbund. Fraaie voorbeelden hiervan zijn op grote schaal te zien in het Ruhrgebied.

Na de hoogtijdagen in de beginjaren 1904-1914 en het interbellum raakte de Bund Heimatschutz echter in verval. De leer en een deel van de aanhangers hadden zich in naziperiode laten gebruiken voor de cultuurpolitiek van de NSDAP. Twee factoren liggen hieraan ten grondslag:

  1. Het Blut und Boden kende duidelijk enige parallellen met de beginselen van de Heimatschutz, met name de idealisten blijken in die jaren hun ambities niet te kunnen bedwingen;

  2. Menig architect wilde graag zijn diensten aanbieden aan het Derde Rijk, het bouwprogramma was onbeschrijflijk omvangrijk.

Met deze ondemocratische knieval, beter bekend onder de gelijkschakeling, voor de NSDAP was de Heimatschutz zienswijze na de Tweede Wereldoorlog oorlog niet meer salonfähig. De verbannen avant-garde architecten hebben in de wederopbouwperiode kans gezien om hun ‘moreel gelijk’ om te zetten in grote populariteit. In de DDR komen traditioneel georiënteerde architecten nog wel in aanmerking voor grote opdrachten. Het communistische bewind wilde in de beginperiode komen tot een nationale (arbeiders)traditie, dit lag in het verlengde van de Heimatschutz gedachte. Dit heeft fraaie woonblokken en partijgebouwen opgeleverd.

 Maar over het algemeen is de leer na de tweede wereldoorlog niet meer salonfähig. Tot de val van het ijzeren gordijn! De toegankelijkheid van steden zoals Weimar, Berlijn, Dresden en Leipzig heeft een hernieuwd cultureel bewustzijn geactiveerd. Hoogtepunten uit de vergeten architectuurgeschiedenis zoals Staaken te Berlijn (Schmitthenner, 1914) en Gartenstadt Hellerau te Dresden (Riemerschmitt, 1912) worden weer in ere hersteld, de Frauenkirche herbouwd en het vooroorlogse stadcentrum van Dresden gereconstrueerd. Met de verplaatsing van industriële productie naar ontwikkelingslanden komt, na grondige reiniging, ook weer de schoonheid van de arbeiderskoloniën in het Ruhrgebied naar voren. Architectuurhistorici, overheden en reisorganisaties zien tijdens deze processen hun kans om deze gebieden en plaatsen met succes economisch en cultureel te revitaliseren.

 Salonfähig?

Ondanks deze ontwikkelingen is de Heimatschutz nog steeds het contact met de leek kwijt. Het communicatieprobleem is nu echter van een andere orde. De consument weet traditionele, Heimatschutz, architectuur zeker te waarderen: middeleeuwse stadscentra, arbeiderskoloniën en traditionele architectuur zijn buitengewoon populair onder bewoners en toeristen. Het maatschappelijke middenveld schaart echter nog steeds menig onderzoek naar Heimatschutz-architectuur onder het fascisme en slaat de discussie hiermee dood. Toch gloort er licht aan de horizon. Sinds 2007 heeft de Tu Dresden, tegen de verdrukking in, een bescheiden onderzoeksprogramma ‘Neue Tradition’ geïnitieerd. Mede dankzij dit wetenschappelijk initiaties kan de Heimatschutz zich weer richten op de oorspronkelijke doelen. Hiervoor dient de leer, inclusief aanhangers, zich wel te ontworstelen aan het sterk behoudende karakter. Dit kan alleen maar door het interne evenwicht tussen de realisten en idealisten te herstellen. De oorspronkelijke zakelijken, met name architecten, ontbreken op dit moment in het debat. Maar welke sterarchitect wil zich in deze tijden nog vereenzelvigen met een omgekeerd cultuurideaal? Culturele arrogantie, globaliseringsfascinatie en onderscheidingdrang onder architecten lijken hernieuwde successen structureel in de weg te zitten. Semper’s Wissenschaft, industrie und Kunst is blijkbaar actueler dan ooit. Architecten worden niet meer opgeleid als vakman maar als avant-gardistische kunstenaar zonder onderzoekend vermogen en besef van hun eigen beperkingen. De ongekende luxe periode met bevlogen architecten zoals Schmitthenner, Schultze-Naumburg en Tessenow als boegbeelden lijkt definitief voorbij te zijn. Wil een architect zijn zorgvuldig opgebouwde internationale reputatie nog wel verbinden aan een ideologie die niet probeert de verlossing van het ‘iets’ te brengen maar zijn heil zoekt in de continuïteit van een geleidelijke culturele ontwikkeling? Vooralsnog lijkt de Heimatschutz met een moeilijk invulbare vacature te zitten: boegbeeld gezocht, bij voorkeur architect!