Soms is duiding belangrijker dan vorm. De vorm kan misleidend, beladen of onbegrepen zijn. Het schetsen van de historische context van een object of ensemble heeft niet zelden een destillerende functie. Voor een opmerkelijke verzameling militair erfgoed in Nederland verricht HEEM architecten een diepgaand onderzoek naar de architectuurhistorische en -theoretische achtergrond van dit aspect van monumentaal militair erfgoed op Nederlandse bodem. De combinatie van een literair en empirische studie moet zorgen voor een frisse kijk op dit WOII erfgoed en bijdragen aan de herbestemming van de verschillende objecten en ensembles.

ARCHITECTUURHISTORISCH ONDERZOEK militair erfgoed WOII

De vijandelijke overname van Nederland door de oosterburen was het startsein voor een zeer omvangrijk bouwproject. Overal in deze nieuwe provincie van het Derde Rijk verschenen tientallen kleinere en grotere militaire vliegvelden met de nodige kazernes.  In korte tijd verschenen honderden onderkomens, hangaars, opslagplaatsen enzovoorts.
Het doel van deze complexen was simpel: het verdedigen van het belangrijke Ruhrgebied. Vanuit deze vliegvelden wilde men de Geallieerde bommenwerpers onderscheppen.

HUIDIGE AANNAME

Deze romantisch ogende architectuur laat zich vooralsnog moeilijk plaatsen binnen de reguliere Nederlandse architectuurhistorische en -theoretische kaders. Traditioneel gezien wordt uitgegaan van het feit dat zich tijdens de tweede wereldoorlog geen relevante architectuurontwikkeling heeft voorgedaan. In werkelijkheid zijn drie stromingen tot ontplooiing gekomen: de representatieve architectuur, voornamelijk nazi-partij gebouwd onder leiding van Albert Speer. De rationele ingenieursarchitectuur en stedenbouw ten behoeve van de Holocaust en oorlogsindustrie. En als derde de traditioneel en romantisch ogende Heimatschutz  architectuur van de arbeiderswijken onder bewind van het Deutsche Arbeits Front. 
Tijdens de bezetting heeft zich echter ook nog een ander inzicht in architectuur en stedenbouw ontwikkeld onder invloed van de drie hoofdstromingen. De militair strategische vliegveldarchitectuur met zogenaamde boerderijbunkers met organisch ogende stedenbouw in de bezette  gebieden.  Verschillende interpretaties zijn vooralsnog gangbaar. Algemeen wordt aangenomen dat de vliegvelden als geheel gecamoufleerd werden. Ten tweede zijn sterke overeenkomsten met de Heimatschutz architectuur waarneembaar en als laatste wordt de populaire ontwerpmethodieken van de Stuttgarter Schule genoemd. Een nadere beschouwing levert een aantal kritische vragen op.

CAMOUFLAGE

Vliegvelden in oorlogstijd, dit militair erfgoed dus,  zijn doorgaans niet gebouwd als doelwit en werden zodoende volledig gecamoufleerd. Door  onderkomens, hangaars en opslagvoorzieningen landschappelijk te plaatsen ontstonden stedenbouwkundige plannen die sterke gelijkenissen vertoonden met landbouwnederzettingen. De gebouwen kregen bovendien een schil ontleend aan het uiterlijk van Noordwest-Europese boerderijen. Een schil met bunkereigenschappen: 60 cm dikke metselwerk muren , betonnen verdiepingsvloeren en 2 cm dikke stalen kozijnluiken. Ook ontbraken de schuilkelders niet. Met de landings- en rolbanen geverfd in schutskleuren was het resultaat een vliegveld dat vanuit de lucht nauwelijks nog te onderscheiden van omliggende dorpen.
De grondigheid waarmee de bezetter militaire bouwwerken detailleerde was verbluffend.  Deze hoogwaardige architectuur streefde tactische doelmatigheid voorbij.  Vanuit de lucht kon men immers de geschilderde luiken, fraai uitgewerkte entree en het gevarieerde gevelbeeld onmogelijk waarnemen. Camouflage alleen verklaart niet de drang om vergaand te integreren binnen de oude leefgemeenschap, de boerencultuur. Een andere onvervulde sociaal culturele of politieke drijfveer verschuilt zich achter deze bezettingsarchitectuur. 

HEIMATSCHUTZ

De pre-industriële middeleeuwse stad, als centraal punt van de agrarische cultuur, stond al vanaf 1907 in het middelpunt van de belangstelling. In dat jaar verenigde een groep intellectuelen zich in de Deutsche Bund Heimatschutz. Beweegredenen waren de ondergang van de Germaanse cultuur onder druk van exotische invloeden en de erbarmelijke omstandigheden waaronder de arbeidersgezinnen leefden in de grote industriële stad.Op iedere denkbare manier begon de Heimatschutz het grote publiek te informeren over het rijke regionale verleden. De agrarische samenleving stond in hun ogen voor de verbinding van de mens met de natuur en de geleidelijke culturele ontplooiing gebaseerd op de overlevering. 
Vanaf 1934 bleek dat dit vraagstuk raakvlakken had met het Blut und Boden Ideaal. De overdrachtelijke methode van de Heimatschutz transformeerde onder druk van deze leer naar een strikte instructie om te komen tot een zuiver en krachtig ras vanuit de beginselen van het boerenbedrijf.  Onderzoeksresultaten werden traktaten. Zo werd het onderzoek naar oude boerderijarchitectuur een blauwdruk voor de opgedragen Germaniserung van de Verzwakte Nieuwe Gebieden. De enorme omvang van het bouwproject werd dus vergezeld met hoge architectonische eisen. Dit maakte het algemene programma tegenstrijdig: hoge kwaliteit, grote variatie, extreme bouwsnelheid, kostenreductie en materiaalbesparing. 

STUTTGARTER SCHULE

Een doeltreffend antwoord op deze vraag kwam uit Stuttgart. In 1918 was de Stuttgarter Schule onder leiding van architect Paul Schmitthenner opgericht. Deze beweging propageerde cultuurhistorisch onderzoek en vergaande toepassing van standaardisatie om zo tot hoogwaardige traditionele architectuur en stedenbouw te komen. In dat jaar had Schmitthenner Gartenstadt Staaken opgeleverd. Voor deze wijk nabij Berlijn had hij een bouwelemententabel geformuleerd met van ieder denkbaar onderdeel een aantal varianten gebaseerd op het ideale productieaantal voor dit bouwproject.
Deze vondst leverde hem forse bouwtijd- en kostenbesparing op. Daarbij was sprake van traditioneel georiënteerde architectuur en stedenbouw. In de interesse voor de regionale traditie en rationele bouwprocessen herkende de nazi’s al snel hun eigen  gedachtegoed: de uitsluiting van het individu en de zuiverheid van het ras. De vereniging van kwantiteit en kwaliteit bleek niet alleen ideaal voor het Duitse woningbouwvraagstuk maar ook voor de militair strategische planning na 1934. 

INTERPRETATIE

De drie aspecten, camouflage, Heimatschutz en de Stuttgarter Schule, geven afzonderlijk geen adequaat antwoord over de gezochte gewogen interpretatie van de aangetroffen militair erfgoed. Samengebracht  in een interpretatiemodel met de verschillende invloedsfactoren ontstaat een meer verhelderend beeld. Een beeld waarin de historische nuances bepaald worden door het gewicht van diezelfde invloeden. Met dit evenwichtsmodel kan men tevens de ontwikkeling van het nazirijk aflezen aan de bezettingsarchitectuur en -stedenbouw. Van de opkomst, heilloos geloof in het ideaal, tot de val, het doorgeslagen rationalisme.

Dienst Vastgoed Defensie

universität Siegen